
De vooruitzichten voor de bouw in 2026 laten zich het best omschrijven als hoopvol, maar weerbarstig. Prognoses wijzen omhoog, beleidsambities zijn aangescherpt en de woningbouwproductie lijkt zich eindelijk te herstellen. Tegelijkertijd groeit het besef dat versnelling niet alleen een kwestie is van regels schrappen en processen stroomlijnen.
Volgens de analyse van EIB (Economisch Bureau voor Bouwnijverheid) staat de woningnieuwbouw voor een duidelijke volumegroei. Na een mager jaar met circa 68.000 opgeleverde woningen, loopt dat aantal in 2026 op naar ongeveer 80.000 en in 2027 naar 84.000. Dat is een stijging van bijna 25 procent in
twee jaar. Ook het bouwvolume groeit stevig door, terwijl de totale bouwproductie richting 2030 oploopt naar € 118 mrd.

Die cijfers lijken de politieke ambitie te ondersteunen om richting de 100.000 woningen per jaar te bewegen. Maar het EIB plaatst daar zelf al een belangrijke nuance bij: deze groei is grotendeels een inhaalslag. De productie zat al in de pijplijn. In de afgelopen jaren zijn meer en grotere projecten opgestart, maar door langere doorlooptijden schuift de oplevering door. Dat verklaart waarom het bouwvolume eerder aantrok dan het aantal daadwerkelijk opgeleverde woningen.
Buildsight zoomt in op die langere doorlooptijden en legt een structurele oorzaak bloot: de snelle verschuiving naar appartementenbouw. Inmiddels bestaat ruim de helft van de nieuwbouw uit appartementen, en dat aandeel groeit de komende jaren door richting bijna twee derde. In het westen van het land is het zelfs al meer dan tachtig procent.

Appartementencomplexen bouwen duurt langer dan eengezinswoningen en oplevering is nauwelijks te faseren. Dat betekent dat vergunningen en bouwstarts zich pas later vertalen in zichtbare aantallen woningen. Precies het patroon dat het EIB nu in de cijfers ziet terugkomen. Daarbij verandert ook de bouw zelf. Minder dakpannen, meer glas, andere gevelsystemen en andere bouwmethoden. Woningen worden kleiner, waardoor er per woning minder materiaal nodig is. Voor producenten en bouwgroothandel betekent dat geen terugval in vraag, maar wel een structurele verschuiving in productgroepen en logistiek.
Het coalitieakkoord, zo schetst Hibin in een recent bericht, probeert daar met beleid op aan te haken. Procedures moeten sneller, regels eenvoudiger en uniformer. Industrieel bouwen, typegoedkeuringen en versnelroutes voor fabriekswoningen moeten helpen om tempo te maken. Ook optoppen en splitsen krijgen meer aandacht, net als het aanwijzen van zowel grootschalige locaties als kleinschalige uitbreidingen.
Toch klinkt vanuit de sector ook scepsis. Taco van Hoek, directeur van het EIB, reageerde op Radio 1 (Sven op 1) kritisch op de nadruk die de coalitie legt op dertig grote nieuwbouwlocaties. “Je bent gewoon tien, vijftien jaar verder voordat je fysiek aan het bouwen bent,” waarschuwde hij. Volgens Van Hoek wordt de complexiteit van gebiedsontwikkeling onderschat: grondeigendom, verplaatsing van bedrijven, sanering, infrastructuur en bezwaarprocedures stapelen zich op voordat er überhaupt gebouwd kan worden.

Ook bij standaardisatie plaatst Van Hoek kanttekeningen. “Het kan nuttig zijn om sommige zaken meer te standaardiseren, maar daar gaat de grote winst niet van komen,” stelde hij. “Woningbouw is projectontwikkeling. Dat is op iedere plek binnen een gemeente anders.”
Volgens Van Hoek zit het grootste struikelblok niet in regels, maar in locaties. “Als je over regelgeving denkt, begin dan bij het begin. Het begint bij de locaties,” benadrukte hij. Versnellen van bezwaarprocedures kan helpen, maar lost niet op dat veel plannen jarenlang vastzitten in complexe voorbereidingsfases. Slechts een beperkt deel van de bezwaren haalt uiteindelijk de Raad van State; de meeste tijd gaat zitten in het traject daarvoor.
Daarom pleit Van Hoek voor een sterker kleinenkernenbeleid: kleinschalige projecten in en rond dorpen en kleinere kernen. Juist provincies die daarop inzetten, zoals Limburg, Drenthe, Friesland en Zeeland, halen hun bouwdoelstellingen. “Als je aan het eind van deze kabinetsperiode die 100.000 woningen per jaar wil aantikken, dan moet je het van kleinschalige projecten hebben,” aldus Van Hoek.
Wat alle analyses verbindt, is de rol van capaciteit. Het EIB rekent tot 2030 op een behoefte aan circa 30.000 extra arbeidskrachten. Die zijn er simpelweg niet. De woningbouw concurreert met infrastructuurprojecten, netverzwaring, defensie-investeringen en renovatieopgaven. De bouw kan willen groeien, maar loopt tegen harde grenzen aan.
Daarmee wordt 2026 geen jaar van onbeperkte versnelling, maar van zichtbare groei binnen duidelijke kaders. De productie trekt aan, vooral doordat eerder opgestarte projecten worden opgeleverd. Tegelijkertijd verandert de bouw structureel door de dominantie van appartementen en blijft de uitvoering kwetsbaar door locaties, capaciteit en financiering.
Voor de sector – en zeker voor de bouwgroothandel – is het een jaar waarin volumes toenemen, maar voorspelbaarheid en flexibiliteit minstens zo belangrijk worden. De echte versnelling zit niet alleen in beleid of prognoses, maar in het pragmatisch benutten van plekken waar daadwerkelijk snel gebouwd kan worden.
“Je bent gewoon tien, vijftien jaar verder voordat
je fysiek aan het bouwen bent”
We maken onze artikelen met veel aandacht. Zie je toch ergens iets dat niet klopt? Meld het dan via redactie@mixpress.nl
Er zijn nog geen reacties.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.


Hoogstraat 110
Postbus 11
5258 ZG Berlicum
Telefoon: +31 (0) 73 503 43 47
E-mail: redactie@mixpress.nl